Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

De Oostelijke binnenpolder ligt op de overgangszone tussen de hooggelegen Utrechtse Heuvelrug en het laaggelegen Vechtdal. Door de combinatie van kwelinvloed van de hogere zandgronden en de vervening is een bijzonder waardevol landschap van open water, moerassen met verschillende verlandingsstadia en vochtige graslanden ontstaan. De Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven functioneert als een zelfstandig afwateringsgebied en bestaat uit één peilgebied. Het waterlichaam bestaat uit twee peilgebieden. Het noordelijk deel van de taartpunt zal in de toekomst af gaan wateren via de Oostelijke binnenpolder. In periodes van watertekort laat AGV water in vanuit de Tienhovense Plassen.
Oostelijke Binnenpolder (NL11_6_9) heeft watertype “laagveen vaarten en kanalen” (M10) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 49 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
3302-EAG-1 (Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven, overig), 3302-EAG-2 (Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven, petgaten), 3360-EAG-19 (Polder Maarsseveen-Westbroek, Taartpunt noord)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Utrecht en gemeente(n) De Bilt en Stichtse Vecht. Het waterlichaam Oostelijke Binnenpolder heeft de status Natura2000-gebied en KRW waterlichaam en is in eigendom van Natuurmonumenten.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor goede ecologische toestand voor laagveen vaarten en kanalen (M10), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen. De Natura2000-doelen zijn naast aquatische doelen voor kranswier, krabbenscheer en fonteinkruiden gericht op laagveenverlanding onder invloed van kwel (onder andere trilvenen, veenmosrietlanden en blauwgraslanden).

De huidige toestand vergeleken met de doelen –matig
De toestand in Oostelijke Binnenpolder (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is matig. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Abundantie groeivormen macrofyten. De slechts scorende indicator van deze deelmaatlat is Bedekking som submerse planten en draadalgen. De Oostelijke Binnenpolder Tienhoven (OBT) heeft een goede aquatisch ecologische kwaliteit, maar deze gaat wel achteruit. In de Oostelijke binnenpolder gaat de kwaliteit van trilveenhabitats wel vooruit. In de Tienhovense plassen woekert de exoot Waterwaaier en deze breidt zich uit richting de polder. Ook de exoot Amerikaanse rivierkreeft is sterk in aantal toegenomen. De score op de maatlat Waterflora vertoont een negatieve trend (-0.2 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont geen trend. De score op de maatlat Vis vertoont een negatieve trend (-0.4 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Deze trend is gebaseerd op twee meetjaren. Stikstof en fosfor gaan achteruit gedurende de laatste planperiode (2015-2020).

Oorzaken op hoofdlijnen
Er zijn meerdere oorzaken voor de onvoldoende kwaliteit. In de Oostelijke binnenpolder leidt het instellen van een flexibel peil tot een afname van de fosforbelasting, maar ook tot een sterke afname van de basenaanvoer (kwel), die wenselijk is voor de ontwikkeling van verlandingsvegetaties, trilvenen en blauwgraslanden. Dit is een spanningsveld. Ook de verhoging van het waterpeil in de Oostelijke Binnenpolder vormt mogelijk een risico voor een verhoogde uitspoeling van voedingsstoffen uit de percelen. Hoewel de landbodem voedselarm is kan het uitspoelingswater redelijk wat voedingsstoffen bevatten en fosforconcentraties nemen toe sinds het peil is verhoogd.

Maatregelen op hoofdlijnen
Maatregelen waren gericht op het verlagen van de fosforbelasting, bijvoorbeeld door het beperken van de inlaat van gebiedsvreemd water (onder andere door het instellen van flexibel peilbeheer). Het effect hiervan is nog niet zichtbaar (de ecologie is achteruit gegeaan), dus mogelijk moeten maatregelen worden bijgestuurd. In het 3e SGBP zijn maatregelen vooral gericht op het herstel van kwel en het verdiepen van watergangen.

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water is lokaal een probleem: de belasting onder de kritische grenzen in het grootste deel van het waterlichaam. In de Oostelijke binnenpolder zijn fosforconcentraties toegenomen sinds het verhogen van het waterpeil, maar het is niet duidelijk of er een oorzakelijk verband met de verslechtering van waterplanten is. Ook in de taartpunt zijn fosforconcentraties toegenomen nadat het peil hier is verhoogd. In delen van de Oostelijke binnenpolder levert de waterbodem mogelijk fosfor na. In lijnvormige wateren vormt nalevering geen groot probleem omdat de draagkracht erg hoog is. In de Taartpunt is de fosforbelasting wel te hoog en bloeien algen.
esficon Lichtklimaat vormt een probleem in de petgaten van de Oostelijke binnenpolder. Hier valt onvoldoende licht op de bodem voor onderwaterplanten (< 4%). De oorzaak van de troebelheid van het water is voornamelijk de in de water rondzwevende deeltjes (zwevende stof). Dit zwevend stof bestaat uit levende en dode algen. In de taartpunt is de waterdiepte zo gering (<5 cm) dat er wel licht op de bodem valt.
esficon Productiviteit bodem vormt lokaal een probleem: de waterbodem is bijna overal voedselrijk (> 500mg/kg dgP). Vooral in het oosten is de bodem voedselrijker.
esficon Habitatgeschiktheid vormt mogelijk een probleem: de waterdiepte (< 30 cm) in de taartpunt is te gering voor een optimale ontwikkeling van onderwaterplanten. Waarschijnlijk is hier lokaal te diep geplagd waardoor er water op het land staat. De calciumaanvoer in de Oostelijke binnenpolder neemt af, omdat AGV minder water uit de omgeving inlaat en de neerslagfractie daardoor relatief toeneemt. Deze ongewenste trend wordt ook nog eens groter zodra de peilmarges ruimer worden, omdat de inlaat van calciumrijk water dan nog verder afneemt. Calcium buffert de verzuring door neerslag en stikstofdepositie. Zonder voldoende aanvoer van basen (zoals Calcium) zullen zich geen goed ontwikkelde verlandingsvegetaties kunnen ontwikkelen, zoals trilvenen (Natura-2000 doelen). Anderzijds zal de droogvallende zone van de oever toenemen als gevolg van de invoering van een flexibeler peilbeheer in de Oostelijke binnenpolder. Dit creëert een bredere marge voor oeversoorten en verlandingsvegetaties.
esficon Verspreiding vormt geen probleem omdat de doelsoorten in de omgeving aanwezig zijn en er ook kunnen komen.
esficon Verwijdering vormt een probleem: vraat door ganzen is een knelpunt voor de ontwikkeling van oevervegetatie. Er zijn veel kreeften gevangen tijdens de vis- en kreeftmonitoring in dit gebied. Kreeft speelt vermoedelijk een rol bij het troebel en vegetatiearm houden van het watersysteem. Biologische verwijdering van ondergedoken waterplanten door vogels is naar verwachting geen belangrijke factor in dit gebied. Op basis van een uitdraai van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) constateren we dat er weinig vogels in het gebied aanwezig zijn, maar vooral in de Molenpolder staan oevers onder druk door ganzenvraat.
esficon Organische belasting vormt geen probleem voor de kwaliteit van het watersysteem.
esficon Toxiciteit vormt geen probleem: er zijn geen potentiële verontreinigingsbronnen aanwezig in het gebied.

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Nulmonitoring Noorderpark Evaluatie uitgangssituatie Oostelijke Binnenpolder Tienhoven, Westbroekse Zodden en Molenpolder (2018).

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP3 2021-2027 Vergroten van de waterdiepte in ‘taartpunt natuur’ De gemiddelde waterdiepte is nu minder dan 35 cm. Hierdoor kan de temperatuur oplopen en de waterbodem naleveren. In een deel van de sloten is waterdiepte werkelijk een probleem, omdat bewust op verlanding wordt ingezet. Met Natuurmonumenten stemmen we af hoe deze maatregel opgepakt kan worden. 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Op basis van onderzoek, beperken van de effecten van door grondwateronttrekkingen afgenomen kwel Dit is een maatregel voor alle waterlichamen waar door grondwateronttrekkingen de hoeveelheid kwel is afgenomen. De effecten van de veranderde kwelsituatie, als gevolg van grondwateronttrekkingen, op de ecologie van het oppervlaktewaterlichaam worden beperkt door verminderen van de winning of door mitigeren en/of compenseren. De maatregel bestaat uit, of moet aansluiten bij, al lopende of in onderzoek zijnde initiatieven. Met de provincies als vergunningverleners voor grote grondwateronttrekkingen stemmen we af wie initiatiefnemer van deze maatregel is. Provincie Utrecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Op basis van onderzoek, beperken van de effecten van door verharding en drainage afgenomen kwel Een maatregel voor alle waterlichamen waar door verharding en drainage de hoeveelheid kwel is afgenomen. Door de toegenomen bebouwing, verharding en drainage op de hoger gelegen heuvelrug is de kwelstroom naar de lager gelegen waterlichamen verminderd. Verhogen van de infiltratie op de heuvelrug leidt tot meer kwel. Dit kan door bijvoorbeeld bewoners te stimuleren tuinen te ontstenen en te vergroenen, maar ook door in studies voor Gemeentelijke RioleringsPlannen te kijken naar grondwatereffecten van rioolstelsels. Met gemeente XXX stemmen we af hoe deze maatregel opgepakt kan worden. Gemeente De Bilt, provincie Utrecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Kleinere maximumhoeveelheid toestaan voor het onttrekken van water oppervlaktewater Nabij diepe plassen en kleine ondiepe plassen willen we ontrekkingen zoveel mogelijk voorkomen, door een alternatieve locatie te zoeken in een ander peilvak. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Op basis van onderzoek, beperken van de effecten van door bebossing afgenomen kwel Dit is een maatregel voor alle waterlichamen waar minder aanvoer van kwelwater is als gevolg van verminderde infiltratie op de heuvelrug door bossen die de vorige eeuw zijn aangelegd. De effecten van de veranderde kwelsituatie op de ecologie van het oppervlaktewaterlichaam worden beperkt door verminderen van de bebossing of door mitigeren en/of compenseren. Eigenaren op de heuvelrug, zoals het Goois Natuurreservaat, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en gemeenten kunnen verbossing verminderen door landschapsbeheer. Het gaat niet per sé om het verwijderen van bomen, het vervangen van naaldbomen door loofbomen kan ook lokaal effectief zijn. We stemmen met eigenaren af wat zij kunnen doen. Provincie Utrecht, gemeenten De Bilt, Natuurbeheerders (Goois Naturreservaat, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer) 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Op basis van onderzoek, beperken van de effecten van door diepe droogmakerijen afgenomen kwel Op basis van nog uit te voeren inventarisaties en onderzoek wordt nagegaan in hoeverre het effect van de afgenomen kwel als gevolg van de diepe droogmakerij kan worden verminderd, gemitigeerd en/of gecompenseerd. 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Flexibel peil in het noordelijk deel taartpunt polder Maarsseveen-Westbroek. Dit gebied is in eigendom van Natuurmonumenten. In dit deel van de taartpunt is natuurpeil ingesteld na afplaggen. Het flexibel peil is ingesteld, maar het gebied watert nog af via agrarische taartpunt. Als de waterkwaliteit in de toekomst van voldoende kwaliteit is dan mag dit noordelijke deel van de taartpunt natuur ook afwateren via OBT. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP2 2015-2021 Inlaat beperken Oostelijke Binnenpolder. Ook flexibel peil. Alleen omhoog tov huidige peil. Afkoppelen van hoogwaterziening voor lintbebouwing langs de dwarsdijk. Het stukje taartpunt is nog niet aangekoppeld. Doel is verlaging externe P belasting en meer kwel in wortelzone terrestrisch. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP2 2015-2021 Optimaliseren waterstromen Wateraan- en afvoer voor OBT en Westbroek gaan via de Nedereindse vaart. De Nedereindse vaart is tevens de bron voor inlaatwater voor Molenpolder Groot en klein. Macro-ionen zullen verbeteren. Het is onduidelijk wat de fosforconcentratie zal gaan doen, Egelshoek heeft een hoge fosforconcentratie, de defosfateringsinstallatie bij Weersloot gaat binnenkort draaien. Wat worden de fosforconcentraties in de nieuwe natuurpeilvakken van OBT en WBZ? Voortschrijdend inzicht laat zien dat juist als het waterpeil omhoog komt bij extreme buien in de zomer, dat basenrijk oppervlaktewater dan de percelen intrekt en zelfs delen inundeert (geconstateerd in wieden en weerribben). Het gevoel is dat het niet verstandig is de stuw te ver te strijken zoals het WGP beschrijft. We besluiten om de stuw van OBT en WBZ het gehele jaar op zijn hoogste stand te laten staan. Behalve als vanwege maaibeheer door Natuurmonumenten in nazomer een laag peil nodig is. Deze maatregel heeft ook effect op ESF1, productiviteit. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Beperken inlaat/aanvoer gebiedsvreemd water naar Oostelijke Binnenpolder Het gaat om het uitvoeren van een set waterbeheermaatregelen om de inlaat/aanvoer van gebiedsvreemd water naar de polder zoveel mogelijk te beperken. Parellel voert provincie inrichtingsmaatregelen uit, zoals oevers verflauwen, fosfaatrijke voormalig agrarische grond te plaggen etc. Gericht op herstel van Natura2000 doelen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP2 2015-2021 Herstel sloten en graven petgat t.b.v. jonge verlandingen Oostelijke Binnenpolder LIFE+ maatregel C9: geplagd en verflauwd. Meer interactie tussen percelen en water. Natuurmonumenten 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Onderzoeken maatregelen Oostelijke Binnenpolder en Molenpolder, Westbroek - fase 2 Het gaat om het in samenhang uitvoeren van drie deelonderzoeken:1 Onderzoeken effecten van peildynamiek in combinatie met beheermaatregelen op de verdeling neerslagwater/kwel in de bodem2 Onderzoeken effecten van de aanleg van een bufferzone en de mogelijkheden om het beheer vorm te geven via groenblauwe diensten3 Onderzoeken effecten van het stimuleren van verlandingsprocessen in Oostelijke Binnenpolder Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Opsplitsing van Molenpolder en Tienhoven en verkleining door excluderen Nedereindsche Vaart. Dit waterlichaam is opgesplitst omdat ze eigenlijk bestaan uit meer systemen. Deze deelgebieden functioneren anders en hebben vaak verschillende watertypen. Om de huidige toestand en de verbetering of achteruitgang hierin te zien zijn nu kunstgrepen nodig (analyse en toetsing), die tijd kosten en om uitleg vragen. De inspanning qua monitoring hoeft niet gewijzigd te worden, in ieder geval niet voor wat betreft de verplichte monitoring. De inspanning voor de wat betreft maatregelen wordt ook niet anders. De richtlijn stelt: “Oppervlaktewateren kleiner dan 50 ha worden in principe niet als waterlichaam aangewezen, tenzij het waterlichaam onderdeel uitmaakt van waterafhankelijke beschermde gebieden, of onderdeel uitmaakt van het specifieke gebiedsgerichte beleid (een reden om gebieden van verschillende terreinbeheerders niet samen te voegen).” En “ Kleine wateren met een aantoonbare ecologische betekenis, hetzij van belang voor omliggende waterlichamen, hetzij van belang als onderdeel van beschermde gebieden, zouden wel als aparte waterlichamen moet worden onderkend.” De Oostelijke Binnenpolder, Molenpolder en Westbroek liggen in een Natura2000 gebied met aantoonbare ecologische betekenis.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet) in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.

De externe P-belasting gaat verder naar beneden als gevolg van het instellen van een flexibel peil. Net als in Molenpolder resulteert het echter ook in een sterke afname van de basenaanvoer, die wenselijk is voor de ontwikkeling van verlandingsvegetaties, trilvenen en blauwgraslanden. Dit spanningsveld dient nader te worden onderzocht om het effect van flexibel peil goed inzichtelijk te kunnen maken.

Het is ook van belang te evalueren of een verhoging van het waterpeil in de Oostelijke binnenpolder een risico vormt voor een verhoogde uitspoeling van voedingsstoffen uit de percelen. Hoewel de landbodem voedselarm is kan het uitspoelingswater redelijk wat nutrienten bevatten en fosforconcentraties nemen toe sinds het peil is verhoogd. Winnie checkt in het monitoringsplan Noorderpark of alle monitoring goed opgepakt is in 2020, en levert zo nodig meetwensen aan.

Er bestaat de wens om de kaart met watervlakken te updaten, aangezien er veel is veranderd in dit gebied en dit van belang is voor de water en stoffenbalansen en beheerafspraken.

Monitoring verspreiding kwel wordt een aantal jaren (2019 t/m 2021) gemeten met EGV routing door het gebied.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.